© 2017 Gerphil Kerkhof

 

  

Overgangen

Nu de lentezon niet meer te stuiten is, als ik dat al wilde ... Nu mijn bleke wangen langzaam bloesemroze kleuren ... Wat wil ik nu graag vergeten uit wat voor graf ik opgestaan ... Een kuil waar ik met gebroken ogen in geworpen was, als een afgeschoten dier. Dan bedekt met dorre bladeren, samenzwerend als lispelende leugens.

Het is het verlangen naar bitterzoete wraak dat mij met een schok heeft doen ontwaken. Het zijn de tranen van verdriet die mijn bloed weer heeft doen stromen. Mij heeft doen reiken naar het helend water. Het was tot slot de warmte van jouw ontroering, die mijn ingehouden adem heeft onttoverd ... water heeft geslagen uit mijn rotsenhart: ons evenbeeld dat altijd al vanuit de diepte in mij zag, fluisterend in mijn oren.
  

  
Een evenbeeld dat plots uit het water oprijst, mij woest en teder tegelijk met volle koude lippen kust, ons dan versmolten mee doet zinken, mee doet vloeien, mee doet vloeien. De trappen af, de trappen op, jachtig en verhit als in een ijldroom - dan door de poort de vlakte op - met de lente mee, de lente in.

Ga naar fotogalerij.