© 2017 Gerphil Kerkhof

 

  

  

  
Fundgrube

Het woord trekt ons een schacht vol heimelijke schatten in,
angstig opgetast, diep in de kelders van toen.

En als we dan dronken van de aan het donker onttrokken herinneringen,
wennend aan het schaarse licht, de trap afdalen, deze vindplaats in -

En als we dan oog in oog staan met deze muren, deze pilaren, deze buizenstelsels
die zich eindeloos voor en boven ons uitstrekken -

Dan broeit het in ons - het graven naar betekenis,
ons inbeeldend hoe eens, hoe ooit hier geleefd en geleden, gezwoegd en gebeden,
gezucht en gesmacht is.

Hoe wij hier stuiten op onze schaduw, onze onafscheidelijke vriend, die ons leidt
in de omarmende duisternis, voorbij het dovende stoflichtende licht.

Hier komen wij thuis waar geen dak meer is, geen steen op de andere.
Hier vallen wij in ons verloren verleden, onbeschut en onbevreesd, vervallen weer tot kind -

Dat met uitgestrekte armen door de plassen rent,
Door de barstende spiegels op de grond, de verlaten kamers in met wuivende gordijnen.

Hier woekert de verwondering ons over het hoofd - dan horen wij nog net ver weg,
aan het einde van de gang, aan het einde de deur, de deur in de wind in het slot.

Hier gaan we nooit meer weg.

  
Gerphil Kerkhof
13 augustus 2015